Pepper

mooigespro | 9-8-2010 08:34

Pepper heeft de boerderij nog meegemaakt. Als vijfjarige poes is ze in 1996 meeverhuisd naar ons huis tussen de akkers. Samen met vier soortgenoten, waaronder zusje Minou, maar die hebben we kort daarna in moeten laten slapen na een botsing met een auto of confrontatie met een hond; we zullen het nooit weten.

Pepper ging maar door. Ze werd gaandeweg doof, maar omdat we ver van de weg wonen, was dat geen probleem. Het had zelfs voordelen: onweer en vuurwerk hoorde ze niet meer. Nooit ziek, altijd spinnen en in voor een knuffel. Op een kussentje naast mijn beeldscherm sliep ze, eenmaal bejaard, hele dagen.
Uiteindelijk is ze ruim 18 jaar geworden. Ze is samen met Milo, op 12 april 2010, naar de kattenhemel gegaan. Dubbel verdriet. Maar wat een prachtig leventje heeft ze gehad. Hieronder een dagboekfragment uit 2007.

 

Open of dicht  

Donderdag.

Ik probeer mijn hoofd erbij te houden en leg kleren op stapeltjes naast de weekendtas. Overal liggen lijstjes want helder nadenken kan ik nu even niet opbrengen.
Morgen gaan we een weekendje weg met de kinderen. Zoals ieder voorjaar.
Morgen is ook onze oppasdag. Elin wordt ’s morgens vroeg bij ons gedropt, daarom kan ik beter nu pakken. Wij vertrekken na de lunch alvast met onze kleindochter van twee. We kunnen met haar het park en de beloofde speeltuinen ’s middags al uitgebreid verkennen; haar pappa en mamma komen rechtstreeks uit hun werk naar Gramsbergen.
Van voorpret is deze keer niets terecht gekomen; sterker, we waren bijna niet gegaan.

Twee dagen geleden hebben we onze trouwe huisgenoot begraven. Inka, een prachtige Tervuerense herder, prachtig van uiterlijk, prachtig van karakter. Een hond uit duizenden.
Een week eerder hoorden we van de maagtumor, niet operabel. Daarna ging het snel. Dinsdag kreeg ze haar laatste spuitje.
Als Inka nog in leven was geweest, was het uitstapje niet doorgegaan; we waren met een regelmatig brakende hond niet in een huisje gaan zitten. Maar nu ze slaapt onder haar witte steen hebben we besloten toch te gaan. We willen wel een paar dagen weg uit dit stille huis; afleiding zal ons goed doen, zeggen we stoer.
Een aantal weken geleden, toen Inka nog ogenschijnlijk gezond was, selecteerde ik dit huisje omdat het op een park staat waar huisdieren welkom zijn en waar je zo vanaf het terrein het bos in kunt lopen met je hond. Geen smerige hondentoiletten waar je als hond je kont niet kunt keren, maar het verzoek een schepje mee te nemen voor ongelukjes. Dat kwam wel vriendelijk over, vond ik.
Het maakt nu niet meer uit of het park inderdaad uitblinkt in diervriendelijkheid; we gaan zonder hond. We gaan er het beste van maken.
Eind van de dag zijn alle tassen ingepakt.

Vrijdagnacht, inmiddels zaterdag, 00.30 uur.
We hebben zowaar even geslapen in de best wel redelijke bedden.
Mijn man is naar het toilet geweest en als hij terugkomt, doet hij het grote licht aan.
“Ik heb een probleem, een heel groot probleem.”
Ik kijk hem, knipperend tegen het licht, geschrokken aan.
“Hoezo? Wat is er?”
“Ik denk dat ik de poezen opgesloten heb in jouw werkkamer. Ik heb die deur dichtgedaan, ik weet het zeker. Nu kunnen ze niet bij het eten en niet naar buiten.”
“Nee joh, ik ben als laatste naar buiten gegaan en heb heel bewust gekeken. Pepper lag op mijn bureau, Hoppe in de zon voor het raam. De deur is open. Echt waar.”
“Nee, want ik ben nog teruggeweest. Denk maar mee. Jij deed Elin in het autostoeltje en toen kwam net de post. Ik heb de post nog binnengebracht en op weg naar de buitendeur een deur dichtgedaan. En ik denk van jouw kamer. We moeten morgen heen en weer naar huis. Ik zit hier geen moment meer rustig.”
“Oké.”
“Ik moet er niet aan denken dat er iets met de katten gebeurt, dat vergeef ik mezelf van mijn leven niet! Hoppe heeft reserves, maar Pepper is vijftien, die kan geen drie dagen zonder water. Eén begrafenis per week is genoeg!”
“Ook al zou je maar een beetje twijfelen: we gaan morgen naar huis, natuurlijk gaan we terug!”
Hij doet het licht uit en stapt weer in bed. Dat kan hier in die volgorde, want er staat een lantaarn voor het raam van onze slaapkamer, waardoor het niet echt donker is.
Nu ben ik klaarwakker. Denk aan de katten die ik minder makkelijk achterliet dan anders. Die doodgekriebeld worden omdat we blij zijn dat zij er nog zijn. Ik probeer me ons vertrek weer voor de geest te halen. Krijg dat niet helder. Kijk op de wekker.
“Ben je nog wakker?” vraag ik naar de bekende weg.
“Ja, natuurlijk. Hoe laat zullen we de wekker zetten, zes uur of zo?”
“Zullen we nu gaan rijden, thuis slapen en vroeg weer hier heen rijden? We zijn toch helemaal uit onze slaap. In alle vroegte heen en weer zie ik niet zitten.”
Hij staat al naast zijn bed.
Ik sluip naar boven en krijg mijn dochter wakker zonder Elin en haar pappa te wekken.
Ze loopt mee naar beneden om achter ons af te sluiten.
“Goed dat jullie gaan. Tot morgen bij het ontbijt.”
Ze zwaait ons na.
We rijden langs de openstaande slagboom het slapende park af en kruipen anderhalf uur later gerustgesteld in ons eigen bed, tot groot genoegen van Pepper, die zich spinnend bij ons voegt.
De deur was gewoon open.

 

(dagboekfragment)



 

Reacties

Cora Westerink
teksten