Columns over mijn kleinkinderen

Cora met kleinkinderen Elin en Tibbe

 

 

 

Hieronder vindt u een aantal columns
die eerder verschenen in OOK, een tijdschrift voor grootouders
dat helaas niet meer bestaat...
Onder de knop
'ook'
staan nog een paar verhaaltjes in pdf,
helemaal zoals ze in het blad zijn gepubliceerd.
Veel plezier!

OOK 6 2010 Polderen

“Oma, weet je, pappa zei net in de auto: als je bij oma bent krijg je wat lekkers.”
“O ja, zei hij dat? Wat jammer dat hij al weg is. Want helaas pindakaas, hier ben ik de baas en ik vind dat je eerst een appeltje mag hebben.” Ze kijkt teleurgesteld naar de fruitschaal. “Een peer,” zegt ze na inspectie. “Dat is ook goed,” zeg ik mild.
Als we later die ochtend in de auto stappen voor wat boodschappen, stop ik een rolletje snoepjes in haar zak. “Voor op de terugweg,” zeg ik er nadrukkelijk bij.  Twee diepe denkrimpels. “Oma, ik denk dat ik dat nog niet weet hoor, wat de terugweg is.” Ik hoef haar alleen maar aan te kijken en ze lacht ondeugend.
Weer thuis gaan we doen wat ik in de auto al heb beloofd: opmaakspulletjes zoeken. Ik heb in de badkamer vast wel ‘echte oude opmaakspullen’ tussen al die zaken die ik dagelijks gebruik om mezelf prettig toonbaar te maken. Thuis heeft Elin kleuterschmink en dat is natuurlijk niet echt. Ik vind het één en ander wat ik missen kan en met een vergrotende toiletspiegel zit ze even later geconcentreerd aan de eettafel, want jezelf opmaken met oma’s make-up is een serieuze zaak.
Trots toont ze wat later het kleurige resultaat en ik ben het met haar eens dat mijn blauw wel een paars accent kan gebruiken. Met grote precisie wrijft ze het paars tot onder mijn wenkbrauwen en ik denk aan Tibbe, die ik straks van de crèche moet halen.
Daarna moet er nodig geplast worden. En wat ze nooit doet: de wc-deur gaat op slot. Het duurt lang en ik hoor een hoop gerommel en uiteindelijk het doortrekken van het toilet. Daarna het fonteintje: ze test vast alle zeepjes uit. Even later staat ze naast me. “Oma, kom eens kijken.”
De wc-vloer heeft blauwe plekken waar hij die niet hoort te hebben. Ik kijk haar vragend aan.
“Mijn potloodje is gevallen en toen kwam dat vanzelf!” Ik haal een doekje, boen de vloer schoon en vraag naar het dopje. Elin haalt haar schouders hoog op. Mijn gezicht gaat op standje streng. “Heb je het dopje doorgespoeld?” Elin schudt heftig van nee. Ik inspecteer tegen beter weten in alle hoeken. “Elin, zeg eens eerlijk, heb je per ongeluk het dopje doorgespoeld?”
“Ik heb het wel horen vallen, maar ik heb het niet gezien.”
“Elin, je bent met het dopje naar de wc gegaan en nu is het weg. Rara hoe kan dat?”
Ze denkt na. “Weet je oma, het kan zo zijn dat ik naar die kant keek,” en ze wijst naar het fonteintje, “en dat het dopje toen, achter mijn rug, in de wc is gevallen. Dan heb ik het niet gezien!”
“Dus het zou wel kunnen dat je het dopje hebt doorgespoeld?”
“Zou kunnen,” zegt ze en opgelucht huppelt ze naar de kamer.
Onze Elin poldert wat af tegenwoordig. Ik voorzie een grote carrière in de politiek!

OOK 3 2010 Omarie

We luisteren naar stemmige koormuziek. Elin en Tibbe hebben van Majorie elk een doosje rozijntjes gekregen. Dat houdt ze op schoot tot de doosjes leeg zijn. Tijdens het volgende muziekstuk wrikt Tibbe zich los en op de open ruimte, tussen de gesloten kist en onze stoelen, geeft hij zijn bekende breakdancedemonstratie. We lachen allemaal door onze tranen heen en ik weet: Omarie zou dat prachtig hebben gevonden.

Tibbe heeft geen idee waarvoor we hier zijn, Elin al wat meer. In de kist ligt Omarie en vandaag gaan we haar uitzwaaien.

Nog maar drie weken geleden werden we gebeld dat ze was gevonden. Een attente medewerkster van de serviceflat sloeg alarm toen Omarie niet opendeed voor het middageten. Halsoverkop reden we, met zwager en schoonzus, naar het ziekenhuis in Leiden. Daar troffen we een hoopje ellende aan, getroffen door een herseninfarct. Zo vaak mogelijk toerden we naar het westen en het lukte zowaar om haar al na tien dagen overgeplaatst te krijgen naar een verpleeghuis in Groningen. Daar bleek al snel dat er niet veel meer mogelijk was en korte tijd later ging de medische behandeling over in stervensbegeleiding. Hoewel we hopen dat ze heeft gevoeld dat we allemaal zo veel mogelijk bij haar waren, mogen we van de arts geloven dat ze van die laatste weken nauwelijks iets heeft gemerkt. En vandaag, op wat haar negentigste verjaardag had moeten worden, nemen we afscheid van haar. Onze twaalf namen op de linten van het prachtige bloemstuk in haar lievelingskleur roze.

Elin loopt nu ook om de kist. De vorige dag heb ik wat foto’s gemaakt van Omarie in haar houten bedje. Voor het geval Elin met vragen komt. Dan kan ze zien dat Omarie er echt in ligt, met Elins tekening op haar voeten. Beter een foto dan zelf fantaseren, maar als ze niets vraagt, laten we het zo.

Tibbe kijkt achter alle gordijnen rond de kist en speelt kiekeboe. Alles gaat zoals Omarie het gewild zou hebben en dat stemt me tevreden. Tussen haar papieren vond mijn zwager een brief. ‘Testament hm hm’ stond er boven. Daarin vonden we de muziek die ze gedraaid wilde hebben en haar wens dat haar uitvaart in besloten kring zou plaatsvinden. Dat laatste wisten we wel, maar het was prettig dat het ook nog op papier stond.

De muziek is afgelopen. Elin deelt een beetje beteuterd witte rozen uit. Ze kent iedereen in ons kringetje, maar omdat we allemaal zo verdrietig zijn, wordt ze daar verlegen van en moet zelf ook een beetje huilen. Om beurten leggen we een roos op de kist. Die van Tibbe is al op twee plaatsen geknakt, maar belandt netjes bij de onze. We werpen samen met Elin kushandjes naar Omarie en zeggen: goede reis en wordt maar een mooie ster!

’s Avonds komt Elin nog even uit bed.

“Ik moet nog kijken of Omarie een sterretje is!”

Het is bewolkt, maar dat geeft niet. Misschien morgen, tijd genoeg. Want Omarie zal nog stralen tot in de eeuwigheid.

Column OOK nr. 12 2009 Geluk

Geluk. Je kunt het hebben en voelen. Geluk heb je als het stralend winterweer is als je een familiefeest organiseert, terwijl ze ijzel voorspelden. Of als je de trein mist die later zal verongelukken. Geluk voelen is voor iedereen anders. Ik voel geluk bij de man waar u waarschijnlijk niet op valt. Of als ik soms onbespied kijk naar het gezinnetje van mijn dochter. Voor een ander is geluk misschien een vogel horen fluiten na een ooroperatie of na maanden van revalidatie weer los kunnen lopen. Maar geluk verandert ook gedurende een mensenleven. Het geluksgevoel dat ik vroeger voelde als wij, in een gehuurde eend, op de bonnefooi de zon tegemoet reden, ben ik kwijt. Te veel ‘bagage’ om nog zo onbevangen simpel gelukkig te zijn. Geluk zit nu meer in dingen waarvan je weet dat je ze bijna niet meer had.
Samen naar een mooie zonsondergang kijken of een pasgeboren kalf: dan zit het geluk in het woordje samen. Geluk zit voor mij ook in een stapeltje stenen op de sidetable in mijn gang. Doodgewone stenen van uiteenlopende komaf waar niks edels aan is.
Tien jaar geleden liepen mijn man en ik op de Veluwe. Voor het eerst na een heftige periode weer een paar dagen op stap. Rustig slenteren, meer zat er nog niet in, maar wat waren we gelukkig met gewoon daar te kunnen lopen na een tijd geloofd te hebben afscheid te moeten nemen.
Mijn man bukte zich plotseling en raapte een steen op. Het was onze trouwdag. Daar deden we nooit veel aan, vaak was de dag al voorbij voor we er aan dachten. Nu waren we ons heel bewust van de datum, omdat we allebei stiekem hadden gedacht dat we hem niet meer samen zouden beleven.
Mijn man gaf me de steen en zei: “Alsjeblieft, als symbool voor mijn onsterfelijkheid.”
Sinds die dag zoeken we elk jaar een steen op onze trouwdag. We gaan op pad en komen er vanzelf ergens een tegen. Onder op de steen zet ik de datum en de vindplaats, maar dat is vast voor als ik vergeetachtig word, want ik weet van elke steen precies waar hij vandaan komt. Versteend geluk, onverwoestbaar. De steen van dit jaar vond mijn man in de kraam van een herfsttijlooskweker op een open tuindag. Daar lag hij ter decoratie, want Colchicumbollen zijn onooglijke dingen. Een baksteen van de afgebroken schoorsteen van een huis in Tsjechië: zoiets verzin je niet!
Onlangs kreeg Elin ineens oog voor het stapeltje stenen. Ze groeit aardig door en kan daardoor op, en als ze de kans krijgt in, kastjes kijken.
“Oma, zijn dat stenen?” vraagt ze naar de bekende weg. “Die moeten toch buiten?”
“Deze niet, die heb ik van opa gekregen en ik krijg er elk jaar eentje bij. Omdat opa blij met me is.”
’s Middags ligt er ineens een klein kiezelsteentje bovenop de stenenstapel. Zorgvuldig uitgezocht in de grindbak naast ons huis door een klein meisje dat precies weet hoe ze geluk moet geven.


column OOK nr. 8 2009 TIBBE

Tibbe. Vijftien maanden is hij nu en ik heb na het verslag van zijn geboorte nog geen column aan hem gewijd. Dat komt niet omdat hij niet speciaal is. Het is het lekkerste knulletje dat ik ken! Maar ik heb al eerder verteld dat ik kindertjes pas leuk vind om over te schrijven als je er mee kunt communiceren. Natuurlijk was hij een schattige baby, rook hij (meestal) lekker, was zijn eerste lachje in staat me van top tot teen te verwarmen en lag ik in een deuk om zijn eerste kruip- en looppogingen. Maar dat was leuk voor mij en de direct betrokkenen. We konden trotse blikken uitwisselen of elkaar de snel genomen vreselijk slechte foto’s toe mailen.

Maar langzamerhand komt er communicatie tot stand die situaties oplevert die het opschrijven waard zijn.

Tibbe loopt sinds kort. In het voorstadium daarvan heeft hij zichzelf aan een geduchte training onderworpen. Alles wat schuiven kon, moest er aan geloven. Krukjes werden omgekeerd, manden leeg gekieperd, poppen geloosd uit poppenwagens. Tibbe achter één van de genoemde objecten en daar ging het, in vliegende vaart door de kamer en gang. Op tijd remmend en verbluffend goed sturend, een grijns van oor tot oor. Dit heeft geresulteerd in potige benen waar hij nu aarzelend op loopt, de armpjes voor de zekerheid nog voor zich uit gestrekt. Als ik mijn armen wijd open doe, loopt hij lachend naar me toe. Of juist niet en dan schatert hij het uit als ik hem achterna loop. Communicatie door oogcontact en gebaar.

Beetje bij beetje komt daar de spraak bij. Gestimuleerd door duidelijke taal van de kant van ons volwassenen, want daar heeft hij het meest aan. Geen kindertaal, geen onnodige verkleinwoorden. Persoonlijk krijg ik de kriebels van: “Doe het poesje maar aaien” en ik hoop u ook!

Het komt helaas voor dat kinderen op het moment dat ze op de basisschool komen, slechts de beschikking hebben over duizend woorden waar dat er toch zeker drieduizend zouden moeten zijn om goed mee te kunnen komen. Grootouders kunnen een actieve rol spelen bij de taalontwikkeling van peuters. Door voor te lezen, maar ook door veel  variatie in eigen taalgebruik. “Kijk een vogel” kan ook zijn: “Kijk een mus, dat is die bruine vogel.”

Tibbe heeft ontdekt dat hij kan scoren door te laten merken dat hij denkt te snappen wat die grote mensen bedoelen. Als hij bij het woord ‘zwaaien’ met een handje wappert kan hij rekenen op een knuffel en lachende gezichten.

Ons huis ligt midden tussen de landerijen en samen keken we laatst naar de werkzaamheden van de boer. “Kijk Tibbe, een trekker. De boer is wortels aan het zaaien.” Tibbe wappert vrolijk met zijn handje tot de trekker uit beeld verdwijnt. “Even wachten, de trekker gaat draaien.” Tibbe wappert weer. Als hij ook met zijn handje zwaait als ik zeg: “Het huis staat in lichterlaaie” weet ik dat het met de klankassociatie wel goed zit. Nu de begripsvorming nog. We gaan voor vijfduizend woorden, minimaal!

 

column OOK nr. 7 2009 Erfelijkheid

We lopen langs hun huis, naar de achtertuin. Als we om de hoek kijken zien we een dochter, die met een verhit hoofd bezig is de laatste herfstblaadjes op te vegen en daarbij behoorlijk wordt dwarsgezeten door de wind. Ook schoonzoonlief is in werktenue. Tibbe doet binnen zijn dutje. Het ziet er niet naar uit dat we ze meekrijgen voor een gezellige familiewandeling. De tuin moet op orde, zodat hij, op het moment dat u dit leest, is zoals mijn dochter zich dat al vegend voorstelt.

Maar gelukkig is er toch iemand enthousiast. Elin wil wel mee. Majorie begint uit te leggen hoe je met hun huis als vertrekpunt een leuke rondwandeling kunt maken, maar stopt halverwege: “Ach, dat hoef ik niet uit te leggen. Elin weet de weg!”

Dus lopen we even later met een trots kijkende kleuter tussen ons in, het tuinzwart nog aan haar handjes, maar daar krijgen wij geen pukkeltjes van.

Buiten het dorp komen we op een sporenpad. Menno en ik moeten ieder in een spoor lopen. Elin loopt een paar stappen voor ons uit, in het midden op het gras. Ze wijst bij een huis op een wit lattenbankje en zegt: “Kijk, zo een hebben jullie ook.” Gebaart met haar armpjes naar een punt in de verte: “Daar komen we straks, maar eerst moeten we zo, en zo... Heb jij ook wat lekkers in je tas, oma?”

Ik loop achter haar rode jasje met witte stippen en kijk naar haar stoere stappen en blonde haartjes in de wind. We zijn zo blij met haar! Zo blij dat onze ‘kinderen’ gehoor hebben gegeven aan hun kinderwens, want meer dan andere stellen hebben zij daar bewust bij stil gestaan. Want er zit een vervelend foutje in het DNA van mijn dochter. Een foutje dat met de huidige kennis van zaken nog niet wetenschappelijk aan te tonen is, maar waar wij vergif op durven in te nemen dat ze het heeft. Ze heeft hetzelfde foutje als mijn man en schoonvader en dus kans op het ontwikkelen van huidkanker, melanoom welteverstaan. Toen Elin op komst was, was dat nog een vermoeden; toen Tibbe onderweg was, waren er al foute plekjes bij haar weggehaald en wisten we het zeker. Een erfelijke belasting, die misschien weer overgedragen wordt. Misschien ook niet, de tijd zal het leren.

Toch staan wij vierkant achter hun beslissing om dat alles geen invloed te laten hebben op hun leven. Hoeveel mensen zijn drager van iets zonder dat ze het weten? Wij zijn met elkaar zes gewaarschuwde mensen, waarvan er vier nu al weten hoe ze met die wetenschap om moeten gaan. Met een groot vertrouwen in de vorderingen die elk jaar in de medische wetenschap worden gemaakt. Onder controle van kundige artsen, die op tijd kunnen ingrijpen. Dan heb je het over een aanvaardbaar risico in mijn ogen.

Voor mij uit danst een meisje in een rood-wit regenjasje. Ik voel me warm worden van binnen en mijn natte ogen wijt ik aan de straffe wind.

 

Cora Westerink
mooigesproken.nl teksten